De mensheid bestaat uit mensen
Geplaatst op: 26-09-2008
De doeleinden waarnaar wijzen en leraren door de eeuwen heen hebben verwezen, inspireren en ontmoedigen ons soms tegelijkertijd. We kennen onszelf redelijk goed; we zien in hoe ver we van die toppen van geestelijke verworvenheden af staan. Een oud verhaal vertelt over een jonge kandidaat die vroeg: ‘Zeg me alstublieft, loopt het Pad tot het einde toe omhoog?’ We voelen ons een beetje zoals hij toen het antwoord kwam: ‘Ja, mijn zoon, tot het einde toe.’ Maar er zijn tekenen die we over het hoofd zien. Door hun voorbeeld van de leer die ze naar voren brengen, en door universele beginselen zichtbaar te maken door ze in hun leven tot uitdrukking te brengen, onthullen de zieners en gidsen van de mensheid een manier van denken en voelen die in ons dagelijkse leven veel nuttiger kan zijn dan de uitgebreide kennis die we misschien vergaren uit een nauwkeurig onderzoek van metafysische ideologieën.
Wie van ons vindt het bijvoorbeeld niet hinderlijk om bij ons werk herhaaldelijk te worden onderbroken? Als we midden in werk zitten dat we belangrijk vinden – werk dat bovendien af moet – en plotseling gaat de telefoon of klopt iemand aan de deur, wat gebeurt er dan? Misschien wil men alleen maar een gezellig praatje maken. Gaat onze irritatie dan niet gemakkelijk alle grenzen te buiten? We kunnen zelfs onbeleefd worden in onze pogingen van die vervelende belemmering af te komen, en onze handelwijze rechtvaardigen door het belang aan te geven van de taak waarmee we bezig zijn. Maar hebben we wel gelijk?
Porphyrius heeft met enige verbazing beschreven hoe Plotinus zich in deze bekende situatie gedroeg. In de lange en eentonige uren dat hij zijn filosofische ideeën opschreef, en nadacht terwijl hij verderging, kreeg hij een aanhoudende stroom bezoekers – geen belangrijke figuren maar mensen die in het algemeen helemaal geen essentiële zaken met hem hadden te bespreken. In zijn plaats zouden de meesten van ons besluiten dat hun oppervlakkige bezoek een zeer belangrijke taak hinderde en hen zo spoedig mogelijk wegsturen. Maar Plotinus ging niet zo te werk. Hij legde zijn pen neer, begroette ze allemaal vriendelijk, schonk hun zijn aandacht zolang ze dat wensten en ging daarna pas weer aan het werk. Het was duidelijk dat zijn gasten, wie ze ook waren, zoals hij het zag altijd zijn directe plicht betekenden; de verhandeling kon wel wachten.....
Lees verder op:
Bron: http://www.theosofie.net/sunrise/sunrise2005/sepokt2005/mensheid.html - Jean B. Crabbendam

